Beknopte historiek museum Brouwershuis

Water in Antwerpens Gouden Eeuw


Ingevolge de verzilting van het Scheldewater in de 15e eeuw diende een nieuwe bron voor de aanvoer van drinkbaar water te worden gezocht, in het bijzonder voor de productie van bier (de enige gekookte en dus enigszins bacterievrije drank betaalbaar voor de meerderheid van de bevolking).

Tussen 1486 en 1490 werd een zeven kilometer lange vaart gegraven die zuiver water uit de rivier De Schijn in Wommelgem naar het stadscentrum voerde. Deze ‘Herentalse Vaart’ kon evenwel geen globale oplossing bieden, want de bierbrouwerijen waren over de hele stad verspreid.

Bovendien dienden zich tijdens de eerste helft van de 16e eeuw nieuwe problemen aan: de bevolkingsexplosie en de industriële expansie deden de behoefte aan zuiver water sterk toenemen, terwijl de groei van het scheepvaartverkeer de structurele zwakte van de haveninfractructuur aan het licht bracht.

Tegelijk confronteerde de bouw van een nieuwe omwalling de stad met enorme uitgaven, waardoor het bestuur niet in staat was om nog andere publieke werken te financieren. 

Gilbert Van Schoonbeke: ‘Meliorator van Antwerpen’


In 1548 reikte de projectontwikkelaar en urbanist Gilbert Van Schoonbeke (1519-1556), die intra muros al nieuwe wijken had gecreëerd, een oplossing voor deze problemen aan. Hij liet in  het noorden van de stad 25 ha moerassige grond tot bouwgrond omvormen, en legde haaks op de Schelde drie kanalen aan, wat de schepen in staat stelde om goederen te laden en te lossen in een door hem ontwikkelde havenwijk, de ‘Nieuwstad’ (thans het Eilandje). Het was een markant voorbeeld van publiek-private samenwerking.

Om al deze, maar ook andere, realisaties staat hij bekend als de grootste urbanist in de geschiedenis van de stad en wordt hij door tijdgenoten ‘meliorator’ van Antwerpen genoemd. Gilbert Van Schoonbeke zal tevens de geschiedenis ingaan als de ontwerper van het Waterhuis (later Brouwershuis genaamd).

Het Waterhuis


Tussen de Brouwersvliet en de Middenvliet (ten zuiden van het huidige Bonapartedok), bouwde hij in 1553/4 zestien brouwerijen en een centraal gebouw voor wateropvang en waterverdeling, het Waterhuis.

Via de nieuw gegraven ‘vaart van Dambrugge’ werd Schijnwater naar een reservoir, de Houwer, aan de Rode Poort (aan de huidige Paardenmarkt) gevoerd, vanwaar het via een onderaards kanaal, de brouwersriool, naar het Waterhuis vloeide. Het water kwam in een groot reservoir onder het Waterhuis terecht, en werd vervolgens via schoepen aangebracht in een noria naar een hoger gelegen reservoir opgehaald.

De door paarden aangedreven rosmolen op het gelijkvloers zette een horizontale energie om in een vertikale krachtbron die de met water gevulde schoepen naar boven bracht. Vanuit het bovenliggend reservoir werd het water via afzonderlijke leidingen naar de zestien aanpalende brouwerijen gepompt. In 1562 werd de stad eigenaar van het Waterhuis, en in 1635 liet zij een afzonderlijk kanaal in gemetste steen aanleggen dat van de Herentalse Vaart naar de Houwer liep.


De combinatie van bedrijfsconcentratie en centrale watervoorziening maakte het mogelijk de bierproductie aanzienlijk op te drijven, zodanig dat zij na korte tijd de lokale vraag volledig dekte en er voor het eerst in de Antwerpse geschiedenis – zelfs een aanzienlijke hoeveelheid kon worden geëxporteerd.

Voor de stad betekende dit een grote meerinkomst aan accijnzen en voor de brouwers zowel winstmaximalisatie als prestigeverhoging. In 1581 organiseerden zij zich in een Brouwersnatie, en vergaderden voortaan op de eerste verdieping van het Waterhuis, in de grote zaal, die zij in de loop van de 17e en 18e eeuw rijkelijk versierden.